Welkom. Welkom als je mijn boek gevonden hebt in de boekhandel of bibliotheek. Welkom als je mij bent tegengekomen in het echte leven. Welkom als je les van mij hebt gehad of schriftelijke lessen Storytelling van mij via Laudius hebt gevolgd. Welkom als je mij hebt gevonden op LinkedIn of als je iets van mij gelezen hebt op de site van het Historical Women Project. Welkom als je mijn verhalen hebt gelezen op mijn Wordpress-verhalenblog. Welkom als je simpelweg via zoeken op internet op mijn website terecht bent gekomen.
Op deze site wil ik je graag alles, nou ja alles, wat ik als auteur maak, beleef en bedenk met je delen. Schrijven is voor mij zoiets als ademhalen, eten of slapen: ik kan gewoon niet zonder! Ik hoop dat ik je met mijn passie kan verleiden en nieuwsgierig maken naar wat ik je te bieden heb.
‘Hij is verbaasd over deze onverwachte switch van het gesprek en wordt nieuwsgierig.’- Boontjes uit water eten-Astrid Lindenburg (2026)
Mijn werkplek januari 2026
Als voorproefje een kort verhaal.
Moeder
De boten in de jachthaven liggen te glimmen in de zon. Zachtjes tikken de lijnen tegen de metalen masten. Niets doet vermoeden dat iedereen vecht tegen een onzichtbare vijand. Ik huiver. Ik moet mezelf dwingen rustig te lopen en goed om me heen te kijken. Als ik gespannen ben, lijkt het alsof ik niet meer kan waarnemen. Het is stil in de haven. Te stil. Hoe stiller het is, hoe onrustiger ik me voel. Nergens zie ik een schipper. Ik loop langs het clubhuis van de watersportvereniging. Deze is, zoals verwacht, gesloten. Ik gluur door een ruit naar binnen, maar er is niemand te zien. Ik loop verder de haven in. Zelfs de havenmeester zit niet in zijn kantoor. Vanaf de eerste steiger bekijk ik elke boot. Af en toe spring ik brutaal een jacht op. Er is geen mens te zien. Radeloos sta ik aan het eind van de laatste steiger. Er is niemand, helemaal niemand. Wat moet ik nu? Ik weet echt geen alternatief te bedenken. Plotseling zie ik in de verte iemand in een gele oliebroek. Ik roep en zwaai:
“Hallo, hoe-oe, hier, wacht even, hallo!” Ik ren in de richting van het clubhuis waar ik de gele oliebroek de hoek om heb zien gaan. Hijgend weet ik de afstand tussen ons te dichten en roep nogmaals:
“Hallo!” Dat helpt. De vrouw stopt en draait zich om. Ik schat haar een jaar of zeventig, gezien de vele groeven in haar gelaat. Ze zou ook jonger of ouder kunnen zijn, want ik ben niet goed in het schatten van leeftijden.
“Niet te dichtbij komen”, zegt ze streng, “anderhalve meter. Ik heb geen behoefte aan het Corona-virus.” Haar stem klinkt schraperig, alsof ze de hele dag nog niets gezegd heeft. Hijgend sta ik voor haar en ze kijkt me vragend aan.
“Moet ik u kennen?” Ik schud langzaam ‘nee’ en als ik op adem ben, leg ik uit dat ik op zoek ben naar iemand die mij naar het Eiland wil varen. Ze reageert niet en blijft me aanstaren. Dan haalt ze haar schouders op en mompelt wat. Ze draait zich om, om weg te lopen. Wanhopig vraag ik:
“Maar kent u dan iemand aan wie ik dat kan vragen?”
“Natuurlijk wel. Ik zou zelf kunnen gaan, maar er mag geen mens naar het Eiland. Een lockdown noemen ze dat. Weet je dat niet? Je mag zelfs hier helemaal niet zijn.” Ze kijkt me aan met een blik van ‘daar heb je weer zo’n onnozel schaap’. Ik begin te ratelen en kan niet meer stoppen. Ik vertel haar dat ik natuurlijk wel weet dat het Eiland op slot zit. Anders had ik haar niets gevraagd. Dan had ik de veerboot wel genomen. Dat mijn twee kinderen van vijf jaar oud op het Eiland zitten, met hun vader, mijn ex-man. Dat ik mijn tweeling iedere dag huilend aan de telefoon heb. Dat ze me missen en steeds vragen wanneer ik ze weer kom ophalen.
“Jaren wilde hij de kinderen niet zien en nu, precies nu, bedacht hij dat hij een weekje met ze op vakantie wilde in de vakantiebungalow van zijn ouders. Een weekje. Dat duurt nu al vier weken. Vier weken zonder mijn kinderen. Weet je wel hoe zwaar dat is?” Mijn stem begeeft het en ik voel de tranen over mijn wangen stromen. De vrouw doet een stap opzij en troost mij met woorden.
“Weet je”, zegt ze, “ik weet nog niet eens hoe je heet, maar ik voel wel met je mee.” Ze stelt zich voor:
“Ik ben Magda en ben schipper van een klein motorjacht.” Ze laat een stilte vallen en net als ik mijn naam wil geven, vervolgt ze:
“Ik zou je graag willen helpen, maar ja…ik mag hier niet eens zijn. Ik zou je graag uitnodigen voor een kop thee, maar dat mag nu ook niet.” Ze loopt een paar passen van me weg en zegt dan zich half omdraaiend op samenzweerderige toon:
“Zorg dat je hier vanavond om elf uur bent.” Dan beent ze weg. Ik staar haar na. Elf uur, dat betekent nog ruim acht uur wachten. Ik loop langs de haven heen en weer. Er is echt niemand op straat te zien. Als ik de Hoofdstraat inkijk, die van de haven naar het station loopt, besef ik dat verder zoeken zinloos is. Er zit voor mij niets anders op dan te wachten op Magda. Ik laat me op een bank in de speeltuin bij het clubhuis ploffen. De uren kruipen voorbij. Als de torenklok elf uur slaat, zie ik tot mijn opluchting Magda de hoek om komen. Ze wenkt me met haar mee te lopen. We stoppen bij een oud, klein motorjacht. De stalen boot is blinkend schoon, dat zie ik zelfs in het donker; het kan wel een verfje gebruiken. Evenals het hout van de kajuit. Zwijgend geeft Magda mij een zwart regenpak en gebaart me achterin te gaan zitten. Zenuwachtig probeer ik een gesprek aan te knopen.
“Heb je kinderen, Magda? Ken je dat gevoel zoveel van ze te houden dat het zeer doet? Het gevoel dat ze een deel van jezelf zijn, dat je niet meer kunt missen?” Zonder me aan te kijken of te antwoorden, gooit Magda de trossen los en stapt de stuurhut in. De motor protesteert eerst even, maar pruttelt dan regelmatig. De zee is kalm en de lucht is bewolkt geraakt. Af en toe zien we een glimp van de maan. In het donker varen we zonder lichten de haven uit. Zachtjes fluister ik:
“Okke en Fenna.” Alsof het uitspreken van hun namen me zal helpen. Magda stuurt de boot met vaste hand door het water. Ze houdt de omgeving goed in de gaten. Ze wil niet het risico lopen gezien te worden. Met dikke dekens heeft ze de behuizing van de motor afgedekt, zodat het jacht minder lawaai maakt. In de stille nacht klinkt het gedempte geluid van de motor nog steeds te hard. Ik probeer me te focussen op wat ik moet doen als het ons lukt het Eiland te bereiken. Ik zal als de weerlicht de kinderen uit hun bed moeten zien te trekken en meenemen, terug naar Magda. Gelukkig heb ik nog steeds een sleutel van het huisje in mijn bezit en ken ik de bungalow op mijn duimpje. In mijn rugzak heb ik dikke jassen, mutsen en shawls zitten voor de kinderen. Maar wat nu als mijn ex wakker wordt? Of als ik Okke en Fenna niet wakker krijg? Die gedachten druk ik snel weg. Handelen is nu belangrijk. Ik word uit mijn gedachten gehaald als Magda de boot aanlegt aan een kleine steiger net buiten de jachthaven.
“Ik wacht hier een uur op je”, zegt ze en kijkt me indringend aan, ‘geen minuut langer.” Zo snel ik kan, spurt ik weg. Onwillekeurig loop ik een beetje gebogen, alsof ik dan minder opval. Ik ren over het strand naar het bos. Ik schrik als er een takje knapt onder mijn schoen. ‘Had ik maar een zaklantaarn meegenomen’, denk ik als het bos dichter wordt. Ik minder vaart en moet turen om het pad te kunnen blijven volgen. Plots krijg ik een ingeving. Ik rommel even in mijn rugzak en heb al snel mijn telefoon gevonden. Dat ik niet eerder bedacht heb dat daar een zaklamp op zit. Net als ik mijn mobiel in mijn hand heb, zie ik een lamp tussen de bomen. Snel kruip ik achter een dikke dennenboom. Angstig wacht ik af. Het licht komt steeds dichterbij. Ik sluip nog iets verder van het pad af, het struikgewas in. Een fietser. Het is een fietser. Als hij langs mij rijdt, kan ik zien dat het een politieagent is. Zelfs hier in het bos wordt gecontroleerd of er geen mensen buitenshuis zijn. Met mijn hart in mijn keel houd ik de agent in de gaten. ‘Als hij maar niet naar de jachthaven gaat”, bedenk ik bevreesd. Op dat moment fietst de agent rond en keert hij terug. Hij fietst weer dezelfde richting op als waar hij vandaan kwam. Ik wacht tot ik het rode achterlicht niet meer kan zien, zet mijn zaklamp aan en loop zo snel ik durf richting het huisje waar Okke en Fenna logeren. Tot mijn grote opluchting is de bungalow donker. Ik neem aan dat dat wil zeggen dat iedereen slaapt. Ik doof de zaklamp en steek mijn telefoon in mijn broekzak. Als een dief in de nacht sluip ik naar de voordeur en steek de sleutel in het slot. Ik schrik als de deur begint te piepen als ik binnenstap. Ik wacht even. Ik loop zo zacht ik kan de gang door, rechtstreeks naar de slaapkamer van de tweeling. Op de tast vind ik het bed aan de rechterkant.
“Okke,” fluister ik. Ik wil Okke zachtjes wakker schudden, maar sla mijn hand op een lege plek. Het hele bed is leeg. Als het andere bed ook leeg is, voel ik de paniek opkomen. Ik vrees dat ze met z’n drieën in het grote bed liggen. Ik sluip terug naar de gang en heel behoedzaam open ik de deur van de tweede slaapkamer. Leeg. Ik zwaai de deur verder open en knip het licht aan. Het bed hier is ook leeg. Ik moet me vastklampen aan de deurpost om niet in elkaar te zakken. De wanhoop verlamt me totaal. Ik schrik en kom bij zinnen als mijn mobiel begint te trillen in mijn zak. Ik herken het nummer van mijn moeder.
“Waar ben je?’, roept ze zodra ik opneem.
‘Okke en Fenna zijn hier. Ze zijn net thuisgebracht.” Ik laat me langs de deurpost op de grond zakken. De tranen rollen over elkaar heen op mijn wangen. Het enige dat ik kan uitbrengen is ‘ik kom ’en dat herhaal ik wel tien keer. Dan sta ik op en met mijn mobiel nog in mijn hand haast ik me naar Magda.